Mieke blogt: Over “Haboobs” en “Camel Spiders”

Ik zit in de woestijn. Waar precies, waarom en wat ik daar doe, is voor dit verhaal niet echt van belang. Bovendien bespaart het mij meteen de moeite om daar al te hard mijn hoofd over te breken.


Mijn persoonlijke zandbak kan het beste omschreven worden als kaal, stoffig en algemeen rood-bruin van kleur. Her en der duikt een zeldzame vetplant op – niet eens een volwaardige cactus! – maar groener dan dat vind je hier niet. Mijn minderwaardige speeltuin is ook nauwgezet afgebakend en ik deel hem met ongeveer duizend andere mensen.

Tot zover het beeld van desolate verlatenheid dat ik vroeger associeerde met woestijntaferelen… Zelfs hier blijft mijn persoonlijke bubbel niet gevrijwaard; de eerste indringer werd reeds gedetecteerd. Ik heb hem zelfs een naam gegeven: “de sluipende plant”. Het grootste deel van de dag merk je hem amper op, hangt hij ergens in een hoekje en deprimeert hij je met zijn uitzicht alleen al. Maar dan… plots… wanneer je het echt niet meer verwacht, heeft er toch een vorm van leven bezit van hem genomen en heeft hij beslist om je een vraag te komen stellen. Het probleem schuilt erin dat hij het oordeelkundig acht om je daar letterlijk mee te overvallen: hij besluipt je langs achter – in het beste geval vanuit een schuine aanvalshoek – en spuwt pas op het allerlaatste moment een geluid. In het ergste geval beslist hij om het geluid vooraf te laten gaan door een aanraking: een klamme hand die uit het niets, ongevraagd en vooral ongewild, op je schouder landt. Oh ja; ik heb mijn beste vriend hier gevonden…

Nochtans zou je denken dat mensen er hier weinig voor voelen om elkaars bubbel binnen te dringen. Het is hier gemiddeld 43° in de schaduw.


Aldus is iedereen eigenlijk bijna continu bedekt met een fijn, glinsterend laagje zweet, wat in sommige gevallen ook wel eens durft te evolueren tot een gestage stroom. Combineer deze informatie met het feit dat hier een grote waterschaarste heerst en iedere persoon daardoor slechts twee minuten douche per dag toegekend krijgt, en de optelsom leert je dat het hier niet meteen de meest frisse bende is… Maar we zitten “gelukkig” allemaal in hetzelfde schuitje. Lees: je weet niet eens of jij de grootste stinkerd bent of je buurman.

Heel af en toe brengt een gigantische regenbui wat verkoeling. Die is echter ook maar van zeer tijdelijke aard. Dan betrekt de hemel eerst met een soort (nog) stoffig(er) laag, die de weinige zuurstof die er al maar is allemaal lijkt op te zuigen, en vervolgens worden alle sluizen open gezet. Binnen de twee minuten ben je tot op je ondergoed doorweekt. Zo’n regenbui duurt dan een paar uren en zet alles onder water. Maar omdat het daarvoor zo lang kurkdroog was, duurt het ook maar een paar uur vooraleer alles weer in de grond getrokken is. En het mag dan wel regenseizoen zijn, die regenbuien zijn lang geen dagelijkse kost. Het douche-euvel zou anders vlot verholpen
zijn…

Een tweede weerfenomeen hier is de zandstorm, alias “Haboob”. Die komt zo snel en onverwacht opzetten dat ze hem maximum een kwartiertje op voorhand afkondigen. Je ziet dan letterlijk een muur van zand/stof op je afkomen. Heel indrukwekkend. Wanneer hij je bereikt, sta je letterlijk in een rode wereld van zand, dat echt overal in kruipt. Het is bijna niet uit te houden om daarin te blijven staan. Tandengeknars ook voor de rest van de dag gegarandeerd!


Over de beestje kon ik tot voor gisteren kort zijn. Mijn eerste ontmoeting was een letterlijke aanvaring; in het nachtelijke duister vloog er plots een onverlaat frontaal tegen mijn hoofd. Ik ben er zeker van dat hij de toegestane snelheidslimiet ruim had overschreden en dat bovendien ik van rechts kwam. Hij pleegde uiteraard vluchtmisdrijf… Ik heb dus ook nooit geweten wie of wat hij was; misschien maar beter ook. Het tweede onderkruipsel had zich ongevraagd toegang verschaft tot onze kamer. Hij bleek echter geen al te spraakzame of levendige kamergenoot; lag daar maar bewegingsloos met zijn zes pootjes in de lucht wat glazig naar het plafond te staren. Ik heb nog geprobeerd om enige interactie met hem op gang te krijgen, maar uiteindelijk toch besloten om hem naar zijn laatste rustplaats (de vuilbak) te begeleiden. Aangezien ik niet op de hoogte ben van het ceremonieel protocol onder kakkerlakken (hoewel ik blijf verkiezen om hem te beschouwen als een “kever”, dat is beter voor mijn gemoedsrust) heb ik het op een simpel “Adieu” gehouden.

Maar dan… gisteren… Het was avond en dus donker. Toen we net nog een drankje zouden nuttigen buiten aan een houten sta-tafeltje, maakte ik mij klaar om een soort van tooghangers-positie aan te nemen. Maar net voor mijn arm de tafel raakte, schoot
daar van onder de rand een afgrijselijk creatuur: een “camel spider” oftewel kamelenspin.


Nu, die beesten staan erom gekend te springen wanneer ze schrikken of aanvallen, maar ik kan je garanderen dat ik degene was die gisteren het hoogste sprong. Deze versie was blijkbaar maar een kleintje; zijn lijf was ongeveer zes centimeter lang en met de poten erbij kwam hij aan ongeveer tien centimeter omtrek. Ik heb mij laten wijsmaken dat die beesten eigenlijk niet echt tot de spinnen-familie behoren, maar wel de “lichtschuwenden”. Als ze ook te lang in het licht zitten, worden ze daarna zelf fluorescerend. Waar het beest ook toe behoort; in ieder geval niet tot mijn vriendenkring!

Follow me on Bloglovin

https://www.bloglovin.com/blogs/kimpressions-14778009

2 gedachten over “Mieke blogt: Over “Haboobs” en “Camel Spiders”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *